> Het netwerkdiner 'Wonen' op woensdag 3 december 2008 in de werkplaats van de manifestatie 'Maak Ons Land'. Foto: NAi

wonen

Een oude les van Harry Langman

Column nr. 2 voorgedragen door Kees Tamboer tijdens het netwerkdiner 'Wonen' op woensdag 3 december 2008 in het NAi.


'In mei 1973 werd Joop den Uyl de tweede socialistische minister-president in de Nederlandse geschiedenis. Onmiddellijk na de overdracht dook hij in de kabinetsnotulen van zijn voorganger, Barend Biesheuvel. De nieuwe premier ontdekte tot zijn grote verrassing dat de progressiefste minister die óóit op het departement van Economische Zaken aan de Bezuidenhoutseweg in Den Haag was neergestreken, een VVD’er was: Harry Langman, Rotterdammer, professor, later ABN-bestuurder en beschermheer van Fokker.

In kleine kring vertelde de socialist Den Uyl dat hij de liberaal Harry Langman maar wat graag zou willen inruilen voor de confessionele Ruud Lubbers met wie hij opgescheept zat – ook Rotterdammer, uit een goed-katholiek ondernemersgeslacht. Waarom? Omdat Harry Langman in het centrum-rechtse kabinet-Biesheuvel met passie een vérgaande ingreep in het investeringsbeleid van het bedrijfsleven had bepleit.

De econoom Langman had sterke argumenten.

In de tweede helft van de jaren zestig raakte de Nederlandse economie oververhit. Maar de economische motor draaide niet overal even hard. Terwijl die in het Westen van het land overtoeren maakte, begon hij in het Noorden en Zuid-Limburg juist te pruttelen. In april 1972 kondigde Langman een ‘selectieve investeringsregeling’ aan. Zijn doel was de investeringen in de overbelaste Randstad af te remmen, het instrument warmee hij dat doel wilde bereiken was een heffing op nieuwe investeringen daar. Met de opbrengst – naar schatting één miljard gulden, dat was toen erg veel geld – zou hij vervolgens investeringen in die zwakke regio’s kunnen subsidiëren.

Langmans redenering was dat door het gebrek aan evenwicht de economie ontwricht raakte. Terwijl in het Noorden en Zuiden de werkloosheid toenam, raakte in het Westen de arbeidsmarkt overspannen: er werden zwarte lonen betaald, koppelbazen hadden vrij spel, een loongolf dreigde, de inflatie liep op. Bovendien liep in de Randstad het verkeer vast, de lucht vervuilde door de concentratie van industrie en de huizenmarkt raakte uit het lood – woningnood hier, leegloop daar.

Langman kon zijn revolutionaire plan niet doorvoeren, omdat het kabinet-Biesheuvel al na een jaar ten val kwam. Den Uyl had het plan zo voor zijn rekening willen nemen. Het kwam er niet van. Een paar maanden na zijn aantreden brak de eerste oliecrisis uit, die de industrie in de Randstad zulke zware klappen toebracht dat er geen investering meer werd gepleegd die voor enige heffing in aanmerking kwam. Voor het Noorden en Zuid-Limburg werd iets anders bedacht: de spreiding van rijksdiensten. Dat heeft niet echt geholpen.

Hieraan moest ik denken toen ik het rapport ‘Bevolkingsdaling’ onder ogen kreeg, dat dit voorjaar werd uitgebracht door de Raad voor het Openbaar Bestuur en de Raad voor de Financiële Verhoudingen samen.

Nederland telt 16,4 miljoen inwoners. Nog maar kort geleden dachten we dat het aantal zou toenemen tot achttien miljoen in 2040. Die prognose is bijgesteld. Volgens de jongste inzichten groeit het bevolkingscijfer tot hooguit zeventien miljoen in 2034 en begint daarna het aantal inwoners te krimpen.
Dat is – behalve voor minister Rouvoet die van grote gezinnen houdt – goed nieuws. Minder mensen betekent: minder auto’s, minder wegen, minder huizen, meer ruimte, meer bomen, meer water.

Zo samengevat lijkt het nog verre toekomstmuziek, maar dat is een misverstand. In meer dan de helft van de ruim vierhonderd Nederlandse gemeenten is de daling van het aantal inwoners nu al gaande.

We kennen het verschijnsel. Dertig jaar geleden was er een dramatische leegloop van de steden. Ik woon mijn hele leven in Amsterdam en heb het zien gebeuren. Het aantal Amsterdammers zakte van 870.000 in 1963 naar 680.000 in 1984. Een krimp van meer dan twintig procent. Dat leidde tot leegstand en verpaupering. Dit proces is omgeslagen, steden zijn nu populair. Amsterdam telt weer bijna 750.000 inwoners. De bevolkingskrimp treft nu de kleine gemeenten, en dan vooral in de ‘buitengewesten’: Limburg, Zeeland, Groningen/Drenthe.

In eerste instantie hoeft daling van het aantal inwoners nog geen ramp te zijn. Het draagvlak voor allerlei gemeenschapsvoorzieningen wordt wat minder, maar voor de woningmarkt zijn de gevolgen voorlopig nog te overzien. Als gezinnen kleiner worden, kunnen ze ruimer wonen. Echt problematisch wordt het pas wanneer het aantal huishoudens daalt. Eerst zakken de huizenprijzen, dan volgt leegstand. En omdat niemand graag tussen dichtgespijkerde appartementen en tochtgaten van gesloopte huizen woont, raakt het proces van neergang in een stroomversnelling.

Voor bestuurders is bevolkingskrimp een nachtmerrie. Zij zijn verslaafd aan groei: méér is succes, minder is falen. Zij willen nieuwe scholen en sportvelden openen, maar moeten scholen en sportvelden gaan sluiten. Hun inkomsten dalen sneller dan hun uitgaven – doordat zij geen nieuwe grond meer kunnen uitgeven voor nieuwe woningen en bedrijfspanden, maar ook doordat veel rijksgeld dat naar de gemeenten stroomt afhankelijk is van het aantal inwoners.

Hun eerste reactie is: ontkenning. Lokale bestuurders gaan op jacht naar nieuwe inwoners en bedrijven en raken zo verzeild in een moordende concurrentieslag met elkaar. De uitkomst is dat ze bouwen voor de leegstand en hun reserves erdoorheen jagen. De enige uitweg is, volgens het rapport ‘Bevolkingsdaling’, aanvaarding en samenwerking. Gemeentebestuurders moeten leren ‘over hun grenzen heen te kijken’ en provinciebestuurders moeten meer gebruik maken van hun bevoegdheden om gemeenten, indien nodig, daartoe te dwingen.

Dat klinkt als een verstandig advies. Maar de dames en heren van de twee adviesraden gaan totaal voorbij aan een ten minste evengroot probleem: tegenover de krimp van het aantal huishoudens in de buitengewesten staat de voorlopig nog ongebreidelde groei in de Randstad – waar de woningmarkt overspannen is, de files groeien in tal en last, spuuglelijke bedrijventerreinen uit de grond blijven schieten en zelfs het IJmeer en het Groene Hart met bebouwing wordt bedreigd. Volgens de laatste prognoses van Vrom moeten er tussen nu en 2040 een half miljoen woningen in de Randstad bijgebouwd worden. Vier keer de stad Utrecht, bijna twee Rotterdams of anderhalve stad Amsterdam. Als het aan minister Cramer ligt het liefst in ‘metropolitane parken’ vol hoogbouw. Asjeblieft.

Het grootste probleem is niet de bevolkingskrimp, maar de scheve verdeling van de krimp. Bevolkingsdaling kán een zegen zijn, maar niet als de lusten en lasten onevenredig worden verdeeld. Zoals de Randstad baat zou hebben bij minder groei van inwoners, wegen, huizen en bedrijven, zouden Zuid-Limburg, Zeeland, Drenthe en Oost-Groningen baat hebben bij minder krimp van inwoners, wegen, huizen en bedrijven.

De selectieve investeringsregeling van Harry Langman verdient het te worden opgediept uit het archief van Economische Zaken. Wie durft?'

Lees ook column nr. 1.