> Foto: NAi
vrije tijd
Gebruiker
Column nr. 2 voorgedragen door Arjen Lubach tijdens het netwerkdiner 'Vrije Tijd' op woensdag 4 februari 2009 in het NAi.
'Ik ben 57 jaar oud. Ik woon met mijn dochter in een huisje op een woonerf aan de rand van een dorp. Vier jaar geleden wonnen we bijna de postcodeloterij, maar die viel toen net aan de andere kant van het winkelcentrum. Ik ben toen nog twee seconden op tv geweest, achter Gaston. Sindsdien is waar ik woon ‘de arme kant’ en daar ‘de rijke kant’.
Mijn huis is niet groot, maar we hebben genoeg ruimte. Ik hoef niet meer te werken van de dokter. Ik zei tegen hem: ik wil graag werken, ik weet niet wat ik anders moet, maar het hoefde niet meer. Ik heb jarenlang huizen gebouwd en tegelijkertijd mijn rug afgebroken en nu zit ik thuis.
Ik wilde eigenlijk iets anders: een bootje bij een meertje. Misschien wat schaapjes. Een kip, fruitbomen. Een herdershond. Maar dat was niet handig volgens mijn dochter. En veel te duur. Alleen die hond kon wel. Maar dan een kleine. Dus nu heb ik een terriër.
Mijn dochter heeft ons huis gevonden op internet. Volgens haar was het lekker dichtbij alles: winkels, school, restaurants, een buurtkroeg waar ik kon biljarten. Toen mijn vrouw overleed had ik niet gedacht dat ik hier terecht zou komen. Ze zei altijd: ‘Jij bent een vrije jongen, jou moeten ze niet teveel opleggen.’
Ik ben vorig jaar op vakantie geweest, naar een natuurgebied, kom hoe heet het... eh... dat natuurgebied met allemaal van die meertjes en bossen... eh hoe heet het nou... oh ja: Center Parcs. Dat vond ik leuk. Daar is alles nog zoals het vroeger was. Dan zie je Nederland zoals het ooit bedoeld is.
Soms ga ik op bezoek bij mijn broer. Die woont in een andere provincie. Als ik bij hem ben, na een uurtje rijden, zit hij er precies hetzelfde bij als ik. Zelfde rotondes, zelfde straten, zelfde aanbiedingen in de supermarkt. Ik kan hem niets nieuws vertellen, alles wat ik meemaak, heeft hij ook al meegemaakt. Dan vertel ik wat ik gisteren op tv zag, maar dat heeft hij ook al gezien. Of ik zeg hem dat ik voetbalplaatjes krijg bij mijn boodschappen. Maar dan heeft zijn zoontje al een heel album vol.
Ik woon aan een wandelroute. Je kunt vanuit het plantsoen via mijn straat op een dijk komen. Dat doet het hele dorp op zondag. Dan trekt het hele dorp in een stoet door mijn straat. En allemaal zeggen ze hetzelfde, als de zon schijnt en ik in mijn voortuin sta. Dan groeten ze me en dan zeggen ze: ‘even een frisse neus halen’. Allemaal. Allemaal gaan ze even een frisse neus halen op de dijk. Om gek van te worden. Tegenwoordig ga ik op zondag achter het huis zitten.
Ik herinner me van vroeger de vakanties. Lange zomers toen mijn rug nog goed was. Ik mocht mee met mijn vader naar andere steden in Nederland. Hij wist overal, in elke stad, een winkeltje of een koffiehuisje waar we iets bijzonders kregen. Hij liet me de heuvels rond Arnhem zien, de platte leegte in Groningen, de haven van Harlingen. Dat was genoeg. Als ik nu tegen mijn dochter zeg: zullen we naar Harlingen, dan zegt ze: waar is dat? Dan zeg ik: in Friesland. Dan zegt ze: wat moeten we daar? Dan zeg ik: kijken, lopen, winkelen, koffie drinken. Dan lacht ze en zegt ze: daar heb ik toch helemaal geen tijd voor.
Mijn dochter neemt me soms mee naar het theater. Dat vind ik leuk. Vooral als ik het een cabaretier of muziekgroep is die ik eerder op tv heb gezien. Dat is toch iets bijzonders. Iemand ineens in het echt zien. Irene Moors heb ik een keer in het echt gezien. In de Efteling. Met al haar kinderen. Stond ze bij de Droomvlucht heel chagrijnig te kijken met een zonnebril op. Zo is het vaak hoor, in het echt. Zo leuk zijn die mensen niet.
Laatst had mijn dochter me meegenomen naar cabaret. Er was iemand die ik niet goed kende, maar mijn dochter had op school een boek van hem gelezen. Toen hij na afloop van de voorstelling naar de foyer kwam heb ik nog even met hem gepraat. Ik vroeg of hij nog een biertje dronk. Had ie natuurlijk geen zin in. Hij had zijn geld binnen, zijn werk gedaan en ging weer naar huis. Dat vond ik jammer. Hoe vaak ben je nou in ons dorp?
Ik heb mijn hele leven mijn rug kapot gewerkt in de bouw en die jongen rijdt lekker rustig in zijn autootje het hele land door. Hij slaapt uit tot een uur of 12. Maakt wat grapjes op een podium, ziet steeds nieuwe dingen, ontmoet nieuwe mensen. En dan voelt hij zich nog te goed om met mij en mijn dochter een biertje te drinken.
Als het allemaal opnieuw kon had ik het heel anders gedaan. Dan was ik naar het buitenland gegaan. Was ik ander werk gaan doen, misschien ook wel boeken schrijven of zo. En dan de hele dag in een bootje over die boeken na zitten denken.
De volgende keer dat mijn dochter me mee wil nemen naar het theater blijf ik gewoon thuis. Of ik loop naar de dijk als het donker wordt en het dorp voor de televisie zit. Samen met mijn terriër. En ik doe alsof het een herder is. Dan doe ik mijn ogen dicht, luister naar het water en stel ik me voor dat ik in Harlingen sta. En een bootje heb. Alleen van mij. Van niemand anders. Ik hoor het water en sta in de haven van Harlingen. Mijn vader staat naast me en ’s avonds rijden we over verlaten wegen naar huis.'
Lees ook column nr. 1.
> Het netwerkdiner 'Vrije Tijd' op woensdag 4 februari 2009 in de werkplaats van de manifestatie 'Maak Ons Land'. Foto: NAi
