> Foto: NAi.
groen
Bom
Column nr. 1 voorgedragen door Ernest van der Kwast tijdens het netwerkdiner 'Groen' op woensdag 4 maart 2009 in het NAi.
'Zijn vader had hem verteld: ‘Alles verandert behalve het land.’ Deze woorden, ruim een halve eeuw geleden uitgesproken, op een druilerige morgen (het weiland drassig, modder aan de laarzen, de boerin binnen), waren nog eens een halve eeuw eerder door zijn grootvader uitgesproken. Het land was nat, de boerin even stil. Het was niet aan hem overgeleverd, maar hij wist het zeker: ook zijn overgrootvader had deze woorden uitgesproken. Het waren eeuwenoude woorden, woorden die van vader op zoon overgingen, tot in lengte van jaren.
Nu stond hij hier, in de regen, met modderige laarzen, op het land dat nooit verandert. Boer Klaas van Zuilen. Zijn koeien stonden met hun achterste naar de wind toe, ook dat was eeuwenlang zo. Vier generaties hield de familie Van Zuilen al koeien. Ze leefden van de melk, van de verkoop van pasgeboren stieren. Boer Klaas had geprobeerd om ook varkens te houden. Maar varkens worden ziek. Twee keer waren ze bij hem langs geweest. Mannen in witte pakken. Ze hadden alle varkens gedood. Dan maar met minder toe, had hij gedacht. En het werd elk jaar minder. Leven van melk was zoiets als leven van lucht.
Zijn vrouw had er genoeg van gekregen. Elke dag aardappelen, elke dag de geur van mest in bed. Klaas van Zuilen wist niet beter. Hij at wat hij verbouwde, hij rook naar waar een stal naar ruikt. Op een dag rook zijn vrouw naar vanille en rozen. Het was de laatste dag uit hun leven. Ze had een man via het internet ontmoet. Niet aan de keukentafel, zoals hij Bettine de Jong had ontmoet. Zijn ouders waren op de koffie gevraagd bij de familie De Jong. Hij moest mee. Het was natuurlijk allemaal geregisseerd. Zo ging dat toen.
Boer Klaas had de minnaar van zijn vrouw nooit gezien. Hij wist alleen zijn naam. Zijn vrouw was voorgoed bij hem weggegaan voor een man die Thijs Barendse heette. En nu was het stil in huis, stiller dan het ooit was geweest.
Het was een te gemakkelijke redenering: de vooruitgang had hem zijn vrouw afgenomen. Klaas van Zuilen wist dat het een optelsom was. Een opeenstapeling van problemen die hij nooit had gezien, noch geroken. Toch was hij de vooruitgang als vijand gaan beschouwen, een schim die je buiten de deur moest houden. Desnoods met geweld. In de loop der jaren had de vooruitgang ook geprobeerd hem zijn land af te nemen. Mannen, niet in witte pakken, maar in krijtstreep, hadden een bod gedaan op de boerderij en de weilanden. Ze wilden er een bedrijventerrein van maken. Andere mannen, in dezelfde pakken, wilden een winkelcomplex bouwen. Klaas van Zuilen had ze allemaal buiten de deur gehouden, en hij had luid gelachen om de modderspatten op hun zwarte schoenen.
Om hem heen waren de landerijen verkocht. Sommige waren in handen gekomen van grote boeren. Ze hadden geen boerderij maar een boerenbedrijf. Kostenbesparing, winstmaximalisatie, outsourcing. Op andere boerderijen werd gebouwd. De stad rukte op.
Ooit liep mijn overgrootvader hier over het weiland, dacht Klaas van Zuilen, en was er niets te zien. Niets, behalve graslanden, koeien, bewolkte luchten. Toen Klaas een kind was, was er een weg aangelegd. Zijn vader had woest Nescio geciteerd: ‘God zegene de verantwoordelijke autoriteiten. Als ’t kan een beetje hardhandig.’ De kleine Klaas had zich afgevraagd waar al die mensen naartoe gingen en wat hun avondmaal zou zijn. ‘Eten die mensen ook aardappelen, bloemkool en vlees?’ had hij aan zijn moeder gevraagd. Ze had liefdevol gelachen en geknikt. ‘We eten allemaal hetzelfde,’ had ze gezegd.
Nu stond er groot reclamebord aan de weg. Het was zo groot dat hij het vanaf hier kon zien, vanaf zijn boerderij, vanaf zijn land. Hij was er op de eerste dag naartoe gereden, op zijn tractor. Het bord maakte reclame voor een bestelservice. ‘Online eten bestellen,’ stond er halverwege het bord, daaronder het adres van een website. Boer Klaas dacht even aan zijn ex-vrouw. ‘Zou ze ook haar eten via internet bestellen?’ vroeg hij zich af. Hij durfde niet te denken aan de gerechten. Het interesseerde de mens niet meer wat hij eet, waar het eten vandaan komt, hoe het groeit of graast. Toen zag hij het woord bovenaan het bord. Het was groter dan de rest afgedrukt. Het was afschrikwekkend. ‘Honger,’ stond er in kapitale letters. En daarachter een vraagteken. Het was een vraag, maar in zijn oren klonk het als een kanonschot. Boer Klaas moest hoesten van weerzin. Honger, dat woord betekende iets. Iets verschrikkelijks. Vroeger, heel vroeger was er honger. Een hele winter lang. Er was elders ook honger. Mensen stierven van de honger. Klaas van Zuilen keek naar het bord en hij voelde zich voor het eerst van zijn leven bedreigd. Alsof er met dit ene woord een bom onder de maatschappij was gelegd. De tikkende bom die overal te horen is.
Hij reed terug op zijn tractor, en even voelde Klaas van Zuilen iets van geluk toen hij zijn koeien zag. Maar daarna zag hij ook de oprukkende stad, de windmolens, de bouwterreinen, de hijskranen. En hij zag zijn eigen land, hij zag alles wat hij te verliezen had.'
Lees ook column nr 2.
